21 vragen aan… Philip Huff – De Groene Amsterdammer

Het voelt niet helemaal als de juiste vraag in de context van uw nieuwe boek, maar laten we het toch proberen: wat was het leukste moment tijdens het schrijven van uw nieuwe roman?
‘Leuk is niet het woord, nee. Ik ben hier bijna veertien jaar mee bezig geweest. Maar ik heb aan het eind van de roman wel een grapje gestopt. Ik hoop dat mensen moeten lachen en zich voorstellen: is het wel de bedoeling dat ik hierom lach? Dat is het geheim van de schrijver…’ (Grinnikt.) ‘Het is natuurlijk geruststellend voor mij dat ik er niet bij hoef te zijn als mensen de passage lezen om te zien van ze lachen of niet.’

Het boek wordt als ‘uw meest persoonlijke roman’. Hoe was het voor u om het persoonlijke verhaal van uw jeugd met fictie te verweven?
Dat werkte voor mij heel bevrijdend. Als je ergens fictie van maakt, kun je de materie bedenken, in plaats van dat de herinnering jou maakt. Je gaat er op een manier boven staan. Je krijgt de vrijheid dingen op te schrijven die nooit gebeurd zijn, maar net zo goed gebeurd kunnen zijn.’

© Daniel Cohen

Is dat niet gevaarlijk voor uw eigen herinneringen?
‘Dat is gevaarlijk als het je bedoeling is een volledig non-fictieverslag te maken. Ik wil met dit boek niet boekstaven wie ‘Philip Huff’ is. Ik wilde met een geboetseerde werkelijkheid een doorleefde waarheid creëren. Een waarheid die ik als kind, tiener en volwassen man ervaren heb. Het gaat over de lange lijnen van een leven, in het bijzonder in de lange lijnen van een onveilige jeugd.’

U heeft er wel voor gekozen uw familieverhoudingen te blijven in de roman. waarom?
‘Ja, want je schrijft moet wel kloppen. Dus als ik een van perspectief had gekozen, dan had ik geschreven met minder verstand van een witte man in dit specifieke milieu in dit tijdvak. Daar durf ik een ervaringsdeskundige in te noemen en ook een podium voor te vragen. Het is niet mijn taak als schrijver om andermans perspectieven te koloniseren. Wat ik wel nog niet eens duidelijk wil hebben: dit is een roman. Een literaire constructie.’

Naar welk kunstwerk kunt u eindeloos staren?
‘Naar het werk van Willem de Kooning in het Stedelijk, Dageraad met rooskleurige vingers. Ook de abstracte van Clyfford Nog steeds vind ik fantastisch, maar daarvan zijn we in Amsterdam niet zo veel, dus daar kan ik niet zo eeuwig naar staren. Dan moet ik het met een boek doen.’

En wat heeft u als achtergrond op uw computer?
‘Niks, blauw. Maar ik heb een screensaver met woorden. Als ik een tijdje mijn computer niet aanraak krijg ik een zelfstandig naamwoord te zien met uitleg erbij.’

Welk jeugdboek heeft als soort het meest voor u?
‘Odysseus van Imme Dros. Laat ik het niet psychologiseren, maar ik was erg onder de indruk van iemand die met zijn slimheid situaties kan oplossen. En het is heel spannend; een klassiek reisverhaal.’

In uw roman schrijven het hoofdpersonage en zijn broertje Alex hun handen van zich af: dat lucht op. Is dit een belangrijke functie van schrijven?
‘Jezus, zeg… Voor een opiniestuk is dat meer het geval dan voor fictie. Dat schrijf en redigeer je en dan komt het al in de krant. Fictie schrijven vanuit haar schrijven. Dus je moet de hele tijd opnieuw met dat verdriet, die ellende aan de slag. Maar, hoewel mijn boeken gaan over harde dingen, probeer ik geen “hard boek” te schrijven en ook dat weer lucht op. Je plaats het hard in een context waardoor het milder wordt, compassie krijgt.’

Stel, u wordt gevraagd een collegereeks over schrijverschap samen te stellen met een collega. Met welke auteur, dood of levend, de techniek kan veel tegenwoordig, zou u dit willen doen?
‘Haha! Even denken, niet elke schrijver is ook een even goede spreker. James Baldwin heeft het twee. Bovendien: een geniale fictie- én non-fictieschrijver. Iemand die oog heeft voor de materie van boeken en van het leven. Die literatuur niet als bourgeoisieactiviteit, maar als boekstaaf van alle dimensies van hardheid, ongelijkheid en schaamte. En ik denk dat James Baldwin met iedereen een goed team zou zijn.’

Als u een schrijver kon zijn waar en wanneer dan ook, waar en wanneer zou dit zijn?
‘Ja, sorry, maar nu ga ik deze kaart toch gewoon spelen. Elke keer als jij een vraag stelt, denk ik: wat zijn dit voor vragen?!’

Welk boek ligt naast uw bed?
‘Altijd een heel stapeltje. Ik heb net De 3 bestaat niet van Gerbrand Bakker uit, van de Terloops-wandelreeks. Albert en de walvis van Philip Hoare en Onrustig van Linn Ullmann liggen er ook. Er zit ook altijd poëzie tussen, zoals Ross Gay en Lucille Clifton. En Oorlogsmuziek van Christopher Logue ligt er altijd.’

Wat is de beste sterfscène in een roman?
‘In de romans die ik heb gelezen… Japi, denk ik, die van de brug stapt in De uitvreter van Nescio. Dat hele boek is eigenlijk een sterfscène. Japi is het hele boek aan het versterven en op het einde is hij begonnen weg, als een kaars die uitgeblazen wordt.’

Van welke roman zou u graag een verfilming zien?
Dat is een vraag, want verfilmingen zijn niet altijd geslaagd… Misschien Revolutionaire weg, en dan een nieuwe verfilming in een miniserie van zes keer één uur. Van Nederland van Joseph O’Neill, dat zou een hele vette film of serie zijn over New York. Ik bied me aan het schrijven en regisseren.’

Wat was het laatste boek dat u niet uitgelezen heeft, omdat u er werkelijk niets mee kon beginnen?
‘O, joh, ik lees heel vaak boeken niet uit. Vaak zijn dat boeken die ik van vrienden krijg, die dat dan “echt iets voor me vinden”. Dus die noem ik hier niet, dat vind ik ondankbaar.’

Met welk personage uit de wereldliteratuur had je het beste in het corps willen zitten?
‘Echt, wat zijn dit voor vragen?! Ik denk dat literaire interessante personages binnen de context hun boek, dus om ze daar uit te halen… Qua milieu en verwacht moet het niet een grote schok zijn. Pat Barker schrijft in De regeneratie-trilogie over Siegfried Sassoon als literair personage. Met hem had ik wel bij het corps willen zitten, in dat boek komt hij naar voren als de ideale combinatie van loyaal en liefdevol. Wie wil dat soort vrienden niet?’

Met welke filosoof voelt u zich het meest verbonden?
‘Jee-zus… Richard Rorty denk ik, de drie pijlers van zijn denken sluiten aan hoe ik de wereld wil zien. Eén: de dingen zijn ze zijn maar dat niet noodzakelijk zoals te zijn. Twee: de afstand tussen hoe ze zijn en kunnen zijn valt te vermelden en te overbruggen. Drie: dat overbruggen doe je omdat je solidair wil zijn met iedereen die lotgenoot is in deze universele, sociaal-economische loterij. Zoets.’

Mark Twain van Ernest Hemingway?
‘De schrijver Hemingway en de mens Mark Twain.’

Yeats van Keats?
‘Absoluut die eerste. En zijn broer Jack, prachtige schilderijen.’

Virginia Woolf van Carson McCullers?
‘Oh!’ (Denkt na.) ‘Ohoho! Het hart is een eenzame jager is een boek waarvan je denkt: dat zou ik nou geschreven willen hebben. Maar ja, zo schreef Woolf er ook velen… McCullers heeft een hoger en beter bewustzijn en daar ben ik nu best mee bezig… Maar, nee, dit kan niet. Allebei. Punt.’

Oorlog en vrede van Misdaad en straf?
‘Ik vind de hele cultus van witte mannelijke genieën die boeken van meer dan achthonderd pagina’s schrijven overschat. Dostojevski is een verschrikkelijke stilist. Tolstoj een ouwehoer. Dat gezegd hebbende: Misdaad en straf.’

James Baldwin van Ralph Ellison?
‘Baldwin, we geven toch al samen les.’

Leave a Reply

Your email address will not be published.