De jongehondenstijl van Splinter Chabot is dit keer erg vermoeiend

‘Ik was moe, en zat vol energie”, staat op de tweede bladzijde van de nieuwe roman van Splinter Chabot, die al weken in de bestsellerlijst staat. Ja, zo voel je je, dán al: afgepeigerd en overprikkeld. Het begint nog wel mooi, met vondsten waar je Chabots-ontwerpen zich beginnen: op de eerste bladzijde fantaseert de hoofdpersoon dat een dorpje “slakkenlangzaam” van een heuvel af glijdt, en zijn er steegjes zo smal dat de muren “schuurpapierduwtjes tegen je wangen gaf ”. Maar algauw wordt het te veel. Dan ziet een „nachtlampschijnsel” er zowel „verdwaald” als „verstrooid” uit – bij verstrooid licht kun je je iets voorstellen, maar verdwaald? En huizen hebben zulke felle kleuren dat ze “stoeiden en streden om echte verschijningen te zijn” – je begrijpt dat er heftigheid wordt gesuggereerd, maar dat wordt dan wel onhandig beschreven. Niets is hier gewoon: trappen zijn niet verlopen, maar „met grote stenen bepuzzeld”. Tot zover de eerste bladzijde.

Lees ook een interview met Splinter Chabot uit 2020: ‘In die warme knuffel kan je je hele gevoel voelen’

Het wemelt voortdurend. Die tomeloze stijl kennen we uit het eerste boek van Splinter Chabot (1996), de bestseller Confettiregen (2020), dat ook opviel vanwege z’n associatieve energie en metaforenconfetti – en die hyperactieve jongehondenstijl paste bij het (autobiografische) hoofdpersonage. Maar zijn nieuwe verhaal is verzonnen, Chabot s eigen fantasiewereld schiep alle vondsten en associaties die daarbij in hem open, schreef hij neer. Alles straalt eigenzinnigheid en gewichtigheid uit, tot de titel als de hemel genoeg ruimte heeft aan teen.

Het is veel én verwarrend, omdat Chabot niet erg zorgvuldig schrijft. „Kijkend naar de golven leken we de zee te zien zwaaien” – wie kijkt daar nou, wie lijkt en wie zwaait? „Hij kamde zijn haren niet; dat liet hij de wind en de zee doen” – nou ja, de wind en zee kammen dat haar dus juist níét. En hoe klein is „een kleine bakkerij, drie parkeerplekken groot” eigenlijk?

Het is veel en verwarrend en dat houdt het spel enorm op. Hé, kijk: wenkbrauwen die „schoenborstelwild” zijn. Hé, zie dit: „Druppels die tijdens hun val op de stenen muur terechtkwamen en daar de weg kwijtraakten.” Het is als je met een klein soort uit wandelen gaat en na een halfuur nog geen twintig meter gebogen opgeschoten. (Dat is ongeveer het leestempo: al deze voorbeelden komen uit de eerste twintig bladzijden.)

Het is veel én verwarrend, omdat Chabot niet erg zorgvuldig schrijft

En waar gaat het eigenlijk over? Twee vrienden, Elias en Magnus, reizen langs plaatsen die Het Dorp, Het Bos, Het Klooster heten, ontmoeten mensen die worden gewonnen als De Bevriende Bakker, De Schrijver. Ze zijn gesteld op elkaar, maar Magnus is ook erg ongelukkig, geplaagd door zwaarmoedige gedachten. Immers, zoals De Schrijver opmerkt: „De hel zit in het hoofd, en kan daar doen wat hij wil.”

Weer afgeleid: een „hel” die iets „doet” en iets „wil”? Hij?

Je hoofd knettert kapot door merkwaardigheden als: „Een rustige onrust hing over hem heen.” Een van de vele wijsheden: „Soms blijven zaken in de verte voor altijd in de verte, hoe dichtbij je ook komt.” En hoe zit dat met dat kasteel, dat „ondanks het verval iets magisch [heeft]. Al moest je de magie er, zoals zuurstof in een ballon, zelf in blazen”?

Dan zijn we op bladzijde 35, van de 570. De stijl was in Confettiregen overkomelijkhet nieuwe boek is er bijna bijna opleesbaar deur.

Leave a Reply

Your email address will not be published.