De nieuwe socialehuurnorm van De Jonge stuit nu al op verzet van gemeenten

Een half miljoen arbeidsmigranten. 36.000- en thuislozen – en dak meer. Mensen die uit een zorginstelling komen, statushouders.

Ze hebben allemaal voorzien nodig. En die zijn er bij lange na niet genoeg.

Het is een taai probleem voor minister Hugo de Jonge (Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, CDA). Terwijl de omvang van deze ‘aandachtsgroepen’ groeit, is het aandeel sociale huur procent: van negatieve 29,2 procent in 2020. algemene klachten. Met – los van het persoonlijke leed – hoge kosten voor de samenleving tot gevolg.

In het programma ‘Een gelijknamig rapport dat vorig jaar, presenteert De Jonge donderdag zijn beleid voor deze problemen. De meest in het oog springende maatregel: naast sociale huur moeten ook de sociale huur worden verdeeld over het land worden verdeeld. Elke gemeente zou 30 procent sociale huur moeten hebben. Dat komende gemeenten goede meer kwetsbare huisvesten, die inspanningen op de toch al krappe begroting.

Het is een wensbeeld dat ver van de realiteit verwijderd is, bleek uit onderzoek van Trouw. De grootste gemeenten halen die 30 procent niet, en een flink deel bij lange na niet. Tweederde van alle gemeenten heeft minder dan 30 sociale huur, 40 procent van de gemeenten minder dan een kwart. Het handjevol gemeenten dat er ruim boven zit, bestaat bijna volledig uit grote steden. Groningen spant de kroon met 57,5 ​​procent sociale huurwoningen. Dit was eind 2019: algemene zullen enkele gemeenten er sociale huurwoningen hebben bijgebouwd, maar het algemene beeld blijft overeind.

Rijkdomeilanden

Kees Diepeveen, wethouder Wonen voor de gemeente Utrecht (GroenLinks), die ver boven de norm zit, is blij dat er weer aandacht is voor volkshuisvesting en kwetsbare groepen. „Ik kan me voorstellen dat een norm voor sociale huur een beetje gaat helpen. Net zoals we de stad streven naar streven in moeten er ook in het land geen armoede ontstaan.”

Maar lang niet alle gemeenten staan ​​erom te springen. Ze zitten al met hoge kosten vanwege decentralisering van zorg en jeugdzorg, hebben te maken met verzet van bewoners tegen de komst van bijvoorbeeld statushouders. Sommige gemeenten proberen via woningvoorraad hun bevolkingssamenstelling te beïnvloeden. Zo opperde de VVD-wethouder Arjen Maathuis van Almelo vorig jaar meer goedkope sociale huurwoningen te s en er middenhuur voor in de plaats te bouwen, zodat de sociale huurders uit Almelolopen naar gemeenten verhuizen.

Leidt dat tot irritatie bij de grote steden, die wel een groot deel op zich nemen? Diepeveen merkt „best bereidheid” bij gemeenten om meer sociale huurders te huisvesten. Maar, zegt hij omfloerst: „Die bereiding wordt niet altijd concreet gemaakt.” Dat armere en kwetsbare groepen nou meer in de stad wonen, vindt hij een kip-ei-discussie. „Mensen trekken weg er in hun eigen gemeente geen betaling te krijgen is.”

Lees ook: Helft minder sociale huurwoningen door verhuurderheffing

Gemeenten die minder dan 30 procent sociale huur hebben, moeten er van De Jonge meer van gaan opnemen in hun nieuwbouwplannen. Gemeenten die erboven zitten kunnen zich juist richten op middenhuur.

In het uiterste geval moet de provincie ingrijpen. De Jonge werkt aan een wet die daar de mogelijkheid biedt voor moet geven.

De Woonbond en Aedes, de vereniging van bouwcorporaties, zijn blij dat er een norm komt voor het aandeel sociale huur per gemeente. Wel vinden ze van belang dat het om de echte sociale woningbouw gaat. „En niet om nep-sociale huur”, zegt Aedes-voorzitter Martin van Rijn. „Woningen sterven binnen een paar jaar weer de vrije sector in gaan, daar hebben we niks aan. Daarom dringen we aan op een goede definitie van sociale huur.”

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten is kritischer. „We moeten geen samenstellingen sociale huur toevoegen als een regio de bevolkingss, de woningvoorraad en prijzen daar geen aanvang voor geven schreef”, ze aan de Tweede Kamer.

Neem de gemeente Tubbergen in Overijssel. Meer 85 procent van de woningen is koop, de rest particuliere en sociale huur. „Er geldt hier van oudsher een cultuur van eigenwoningbezit”, zegt Erik Volmerink, wethouder Wonen (CDA). „Jongeren blijven desnoods thuis wonen om uiteindelijk hun langer woning te bouwen. Ook zelfbouw zit hier in de genen.” 30 procent sociale huur is voor Tubbergen veel te veel. „Tot voor kort was er helemaal geen vraag naar. Het zal kunnen vinden leiden dat nog minder gemeente de juiste woning in hun eigen vertrekken.”

Ook Paul Slettenhaar, wethouder Wonen in Castricum (VVD), vindt: daar gáát De Jonge niet over. „Hij kan beter zorgen dat er gebouwd kan worden, die provincies niet dwarsliggen. Dáár is de minister voor.” Dat Castricum een ​​socialehuuraandeel heeft van zo’n 17 procent, is historisch zo mogelijk. „In nieuwbouwprojecten bouwen we 35 procent sociaal.” Ontwikkelaars bekostigen sociale huur met woningen in het dure segment. Dat gaat weer ten koste van middenhuur. Slettenhaar: „Daar is óók een groot tekort. Wij willen alle doelgroepen helpen. Maar dan moet het Rijk echt met geld over de brug komen.”

„Tja”, reageert Aedes-voorzitter Van Rijn op de suggestie dat De Jonge met een socialehuurnorm zijn boekje te buiten gaat. „Iedereen roept de hele tijd om meer regie in de ruimtelijke ordening. Nou, dit is ehh.”

Leave a Reply

Your email address will not be published.