Het nieuwe boek van de man die Tolstoj een ouwehouwer omvat, bevat belangrijke veel geohoer

Sylvia Witteman

Lezen is leuker dan het echte leven, want bij het lezen kun je de stukken overslaan waar je geen zin in hebt. De oorlog bijvoorbeeld, in Tolstojs Oorlog en vrede (ik weet niet meer wie de grap maakte dat Poetin die titel van staatswege heeft laten veranderen in Speciale militaire operatie en vredemaar leuk was hij wel).

Ja, ik had zin om die dikke pil te herlezen (heerlijk, al die uitbundige feesten van de Rostovs en de Bolkonski’s), toen mijn aandacht werd getrokken door een interview met schrijver Philip Huff in De Groene Amsterdammer. Wil je wat zei sterven? ‘Ik vind de hele cultus van mannelijke witte genieën die boeken van meer dan 800 pagina’s schrijven overschat. Dostojevski is een vreselijke stilist. Tolstoj een ouwehoer.’

Jeetje! Mijn geliefde Tolstoj, een ouwehoer? Zou Huff echt iets van Tolstoj gelezen hebben, of vindt hij álle dikke boeken van ‘witte mannen’ bij voorbaat geouwehoer? Dat kan, natuurlijk. Maar waarom is Dostojevski een vreselijke stilist? Ik heb zelf ook bezwaren Dostojevski, maar dat betreft meer zijn akelige visie op de mens dan zijn stijl.

Ik moest een beetje lachen trouwens, want ik had toevallig net Huffs eigen nieuwe roman gelezen. Wat je van bloed weet heet die, een beddrieglijk pakkende titel voor een boek dat ik met moeite uit kreeg. Aan het onderwerp lag dat niet: het verhaal gaat over een jongen die opgroeit in een gewelddadig gezin. Dat is boeiend materieel. Mensen lezen graag; mensen zijn nu slecht, zou Dostojevski zeggen, en misschien heeft hij nog gelijk.

Wie een boek schrijft over een kind dat iets vreselijks overkomt, heeft de lezer bij voorbaat aan zijn kant; zeker bij een verhaal dat (terecht of onterecht) als autobiografisch en authentiek wordt weergegeven. De lezer leeft mee met dat arme kind, want zó slecht zijn mensen nu ook weer niet. Maar dat maakt een zielig boek nog geen goed boek.

Voor iemand die typisch bedoeld is op een goede stijl gebruikt Huff bijvoorbeeld lelijke anglicismen. Hij heeft het over een ‘blatende alarmklok’ (waarom geen wekker?) en ‘missende’ tanden in plaats van ontbrekende. Het zal de generatiekloof wel zijn, maar ergert me. Ook Huffs besluit om de roman in de tweede persoon te schrijven, de jij-vorm dus, bevalt me ​​niet. Afstand scheppen was waarschijnlijk het doel, maar het heeft iets parmantigs, iets onaangenaam vergezocht.

Voorts is er, vooral in de tweede helft van het boek, kwestie van een opvallende grote hoeveelheid geouwehoer. En dan geen geouwehoer waar Gods zegen op rust, nee, sáái geouwehoer.

‘Hockeyclub Laren. Een donkerblauw bakstenen gebouw van twee verdiepingen, geflankeerd door twee lage, lange kleedkamergebouwen – op zaterdag voor de jongens en de meisjes en op zondag voor de dames en de heren. Drie kunstgrasvelden en vier grasvelden waar nog maar vaak op wordt gespeeld. Je staat als tweedejaars C1 bij kunstgras 1 naar de wedstrijd van jongens B1 te kijken. Twee weken geleden mocht je, door een blessure in het elftal, meespelen. De coach gaf je naderhand een compliment en vroeg of je volgende week weer wilde meedoen.’

‘Show, don’t tell’, heeft Huff geleerd, maar als je iets ‘showt’ dat niks vertelt, sla je de plank mis. En dan die diepzinnigheden waar tot vervelens toe vogels aan te pas komen, want ja, vogels zijn een symbool van vrijheid, hè? ‘Vroeger had je die vogel gevraagd waarom hij voor de winter niet zuidwaarts is gevlogen. Maar je hebt geleerd: gedachten zijn tot de cel van je hoofd, gevoelens tot de gevangenis van je lichaam.’

En dan Tolstoj een ouwehoer noemen! Wat een gotspe.

Leave a Reply

Your email address will not be published.