Vooruitgangsgeloof als bijvangst van het neoliberalisme

Sander Schimmelpenninck

Wanneer Marty McFly in Terug naar de toekomst II (1989) uit zijn DMC DeLorean het jaar 2015 binnenloopt, ziet hij vliegende auto’s die via ingenieuze landingsbanen de normale straat oprijden. Het is de enige sciencefictionfilm uit jaren tachtig en negentig van de twintigste eeuw waarin een rotsvast vooruitgangsgeloof doorklinkt; vliegende auto’s, magneettreinen en hyperloopachtige verbindingen, we.

De realiteit is anders: we zitten nog massaal in benzineauto’s en staan ​​te dringen om in een met kerosine gestookt vliegtuig naar zon en zee te gaan. We doen er geen minuut korter dan vijftig jaar geleden. Eerder langer, door de hordes die dankzij de verbeterde groei en democratisering van luxegoederen vóór u in de rij staan. De trein naar Enschede doet er langer over dan in 1950 en een vies vliegtuig is nog altijd het aantrekkelijkste alternatief voor wie naar steden als Berlijn, Bremen of Hamburg wil. De technische vooruitgang die de mensheid heeft geboekt in de afgelopen decennia is nogal mislukt, kortom.

Toch is het verraderlijke en verlammende vooruitgangsgeloof nog lang niet weg. Als bijproduct van het neoliberalisme komt dat geloof erop neer dat we nu eigenlijk niets hoeven doen, of zelfs kúnnen doen. We immers aan de vooravond van een of andere grote transitie, en nieuwe uitvindingen zullen staan ​​van vandaag futiel. Daarnaast maken we onszelf voortdurend wijs dat dit niet het juiste moment is voor grote investeringen. De financiële crisis was de grootste crisis sinds de Tweede Wereldoorlog, daarna was de coronacrisis dat en nu is de oudste- en Oekraïnecrisis dat – nu zelfs niet!

Onzin natuurlijk, we zijn gewoon een stel luie pubers dat een excuus zoekt om de eigen kamer niet op te hoeven ruimen. Onbenul en naïviteit over wat echte vooruitgang is, speelt ook een rol, zo bewijzen die digitalisering voortschrijdend met vooruitgang. Ze staan ​​te glunderen bij de opening van iPad scholen, maar de nerds die die iPads hebben ontworpen hun eigen kinderen alleen met hoepels en houten speelgoed spelen, omdat ze de verwoestende kracht van hun product kennen.

Diezelfde bestuurders vertederd over ‘al die slanke jongens en meisjes’ die ervoor zullen zorgen dat de wereld er over een jaar van twintig volkomen anders uit zal zien dan nu. Maar waar dat vertrouwen vandaan komt, blijft een raadsel. Het Nederlandse weinig en ik zie niet bepaald veel aanknopingspunten voor een renaissance van technologische vooruitgang.

Niet de wet van de remmende zou moeten worden, maar de wet van het remmende vooruitgangsgeloof. Die zorgt er immers voor dat iedereen en bedrijven grote veranderingen en investeringen voor zich uit blijven schuiven, met het idee dat De techniek vroeg of laat rood. Vooruitgangsgeloof mag nooit iemand ontslaan van de plicht nú wat te doen. Nu het tijdperk van goedkoop geld op zijn einde lijkt, is het gebrek aan daadkracht van de afgelopen jaren extra pijnlijk.

Het idee van technologische vooruitgang hangt samen met het idee van economische groei. Beide zijn echter onhoudbaar, door onderwater en natuurlijke grenzen, zoals die goede oude Marx al wist. We zijn nog zakken van vlees en bloed die zich door de wereld verplaatsen, en tenzij de reis naar een ander continent gaat, zou dat gewoon met een snelle trein moeten.

Leave a Reply

Your email address will not be published.