Welke boeken moet u lezen rond 4 en 5 mei? Een selectie uit de nieuwe stapel


Beeld Sarah-Yu Zeebroek

Wat maakt dagboekaantekeningen uit de oorlogsjaren zo fascinerend? Niet per se het drama van frontbewegingen of nachtelijke bombardementen. Het is de bedrijvige en bedreigde normaliteit die zo tot de verbeelding spreekt. De meidagen van 1940, een door Luuc Kooijmans verzameld ‘collectief dagboek’ van mensen die erbij waren, moet het daarvan hebben.

De vrouw die na het uitbreken van de vijandelijkheden bezwaar maakt tegen het kabaal op straat. De soldaat die te biecht gaat zich per taxi naar het krijgstoneel te begeven. De niet erg huishoudelijk aangelegde schilderes die op 10 mei in vertwijfeling maar de kamers gaat stoffen en de vaat van de vorige dag gaat. Mensen die gewoontegetrouw naar het werk fietsen. Scholieren die juist ‘juichend heen gaan’ omdat ze vanwege de oorlogsomstandigheden schoolvrij hebben. Schrijvertoon Coolen, niet te zijn met mijn gedachten’, verlost schipperende onzijdigheid’ met Nederland zich in een boze wereld meende te kunnen ingesteld. Karel van het Reve, die de eerste oorlogsdag goeddeels doorbracht in zijn tuin, ‘waar alles fris was en het gras hoog stond’.

Maar op een zeker moment legde de normaliteit het op dat alles anders zou zijn – al de aard van de levens en de aard van die nogal uiteen. De een verwachtte dat het leven ‘vervelender en minder zou worden’, de ander dat een nieuwe wereld zou kunnen ontstaan ​​met ‘veel meer welvaart door weggevallen grenzen en minder vereist aan een wapening’. Velen zich illusies over de draaglijkheid van de Duitse bezetting. De voornoemde schilderes viel ten prooi aan ‘invretend gevoel van uiterlijk’ over de helling die zich voltrok. Enkele Joden verwant. het land te verlaten van beroofden zich van het leven

Strijdbaarheid en apathie

Schrijver Menno ter Braak construeerde met zijn Haagse buren een barricade ‘uit een allegaartje van waardeloos huisraad, planken, stenen en zelfs aan elkaar gebonden pakken Vaderlanden’, Fred Batten op 12 mei 1940 in zijn dagboek (Het Vaderland was de krant waarin Ter Braak veel had gepubliceerd). Die bezigheid begonnen hem meer voldoening dan ‘artikelen schrijven’, verzekerde Ter Braak. ‘Ik voel me nu pas, echt, Nederlander.’ Na de capitulatie van de Nederlandse troepen, op 15 mei, maakte hij een eind aan zijn leven. ‘Groet alle vrienden’, schreef hij in zijn afscheidsbrief aan zijn vrouw, Antje Faber. ‘Ik heb zooveel vrienden gehad, daarom was mijn leven volkomen goed, maar vooral door jou.’

De strijdbaarheid waarvan Ter Braak en vele anderen in de mei nog hadden blijk gegeven, ontbreken bij sommige leidinggevenden aan het front (‘Aan de kapitein had je niets’) en bij de voltallige regering. Onthutsend – ook met de kennis van nu – is ‘de apathische indruk’ die met naam minister-president Dirk Jan de Geer op zijn ambtenaren maakte. Bij de een wekte het oorlogskabinet associatie met ‘een troepgeregende musschen’, bij de ander met ‘een stelletje duiven op een overzicht in den dakgoot op een regenachtige namiddag’. ‘Goddank dat ze weg zijn’, schreef Max Hirschfeld, secretaris-generaal van het departement van Handel, Nijverheid en Scheepvaart, in zijn dagboek beneden de regeringszetel naar Londen werd verplaatst. ‘Wat hadden we met ze moeten beginnen?’

In de dagboeken van de gewone Nederlanders was de vlucht van koningin Wilhelmina in mei 1940 een van de meestbesproken thema’s. ‘Tracht zij zich veilig te stellen onze jongens zich doodvechten?’, vroeg een gepensioneerd schoolhoofd in Zwolle zich af. ‘De stam over Vorstenhuis en Regering, oeufemistisch overwegen, zeer gereserveerd’, noteerde de latere minister Jaap Burger (SDAP/PvdA) op 21 mei in zijn dagboek. Begrip voor de handelwijze van de koningin werd maar meest gebruikte geuit.

Alerte toeschouwer

Terwijl de meeste Nederland zich op de capitulaties aan het einde van de gevechtshandelingen en de (ogenschijnlijke) tegemoetkomendheid van de Duitse bezetters is tegemoetgekomen farmaceut Hoffmann-La Roche in Nederland. In het huis waar hij woonde en werkte, Amstel 278 in Amsterdam, deed hij verslag van de maatschappelijke, economische en mentale veranderingen zich in het bezette land voltrokken.

Daarbij ging hij academisch te werk: het dagboek dwong hem in de houding van alerte toeschouwer, ‘zoals iemand die in een gletsjer is gevallen wakker moet blijven om niet dood te vriezen’. Hij wilde weten wat de nazi’s bewoog. Met dat oogmerke hij zelfs hun schotschriften. Hij dacht na over de toekomst van Europa na een Duitse zege of een Duitse nederlaag. Beide scenario’s stemden hem tijdens somber: een door Rusland overheerst continent was ook geen aangenaam vergezicht.

null Beeld Sarah-Yu Zeebroek

Beeld Sarah-Yu Zeebroek

Maar het gros van de aantekeningen, die samen 608 bladzijden beslaan, had betrekking op gebeurtenissen van alledag. Die toename in het teken van het jacht op Joden, van wie Fritz er twee onderdak bood: de uit Berlijne komiek Géza (de vader van cineast Frans Weisz) en Lazare van Amerongen, de stiefvader van Fritz’ (tweede) vrouw Georgette . Beiden genoten aanvankelijk nog enige bewegingsvrijheid – Weisz omdat hij afkomstig was uit, een bondgenoot van nazi-Duitsland, en Lazare omdat hij ‘tot nader order’ vrij was gesteld van deportatie naar het.

Maar het noodlot zat ook hen meer op de hielen. En Fritz Rimathé verruilde de rol van toeschouwer, die lange tijd proberen ‘objectiviteit’ te verraden, voor die van deelnemer aan het drama dat hem door de nazi’s werd opgedrongen. De dagboeken waarin die ontwikkeling is vastgelegd, vormen – met de notities van Géza Weisz – de richtlijn van het boek dat Tom Rooduijn over lotsgemeenschap van Amstel 278 heeft geschreven. Het geeft een van de benauwenis van mensen die op den duur volkomen waren overgeleverd aan de grillen van een redeloze bezetter, en van een stad die zienderogen verslonsde en verpauperde (zowel fysiek als moreel).

Een waterdicht systeem

Filosoof en filmmaker Jurr Rood schreef een ‘filosofische biografie’ van de man die enig ideologisch motief de nazi’s in staat heeft gesteld zonder de Joden in Nederland op te sporen, te isoleren en te hoofd deporteren: Jacques (Sjaak) Lentz, van de Rijksinspectie van de Bevolkingsregisters in Den Haag.

Deze ambtenaar, die meer eigengereid dan dienstbaar was, kon tijdens de Duitse bezetting het administratieve ideaal in de praktijk waarvoor hij zich in het vooroorlogse Nederland had beijverd: het ontwerp van de ‘papieren mens die de vleselijke mens op de secretarie der gemeente bewaart ‘. Oftewel: een waterdicht systeem – waarvan het moeilijk te vervalsen persoonsbewijs het sluitstuk vormde – dat het voor burgers onmogelijk gemaakt om aan de spiedende blikken van de overheid te ontkomen. Het boek is een fraaie, zij het soms iets te wijdlopige studie van de verdwazing die zich kan voordoen als de vleselijke mens verdwijnt.

Ook na de oorlog heeft Lentz zich nooit aan een gewetensonderzoek getekend. En heeft daar ook niet toe uitgelegd: hij werd genomen met een aftrek van drie jaar, van voorarrest. In de datum van de opsporing van Joden had de opsporing van Joden moeilijk gemaakt. Tot zijn dood in 1963 heeft Sjaak Lentz zich in vrijheid verongelijkt kunnen voelen.

Monument voor een onversneden gehouden

Helden hebben het in de oorlogshistoriografie wat moeilijk gehad de laatste jaren. Zij werden vooral opgevoerd als uitzonderingen op de regel van schikken, wegkijken, pappen en nathouden – met als gevolg dat de uitzonderingen nog maar vaak een biografie waard worden bedoeld. Peter Sierksma er niet van weerhouden om een ​​klein monument op te richten voor een onversneden held: zijn grootvader Pieter Kapenga,agent in Kampen tot november 1942, toen hij de opdracht van zijn meerdere Joodse plaatsgenoten op te pakken naast zich neerlegde met de eenvoudige woorden: ‘Mijnheer, dat weiger ik.’ Zijn weigerachtigheid kwam voort uit zijn solide geloofsovertuiging. ‘Duitschland, Uw machthebbers hebben zich vergrepen aan de Joden’, schreef hij, terugblikkend op het moment van de waarheid. ‘Er is nog nimmer een natie geweest die ongestraft de Joden heeft vervolgd.’

Kapenga bracht ruim twee jaar in gevangenschap door: eerst in kamp Vught, later in Dachau. Van ingevoerde instrueerde hij onmiddellijk na de bevrijding zijn ‘geliefde vrouw en kinderen’ er zorg voor te dragen ‘dat de banden goed opgepompt blijven’, want ‘ik hoop zoo half en half dat ik as zomer nog wat op de fiets weg kan’ . Over het kampleven liet hij zich na zijn terugkeer in Kampen nog maar vaak uit.

Toen kleinzoon Peter later belangstellingen voor deze episode, zei Kapga slechts: ‘Le Hoornik maar’ – een bondige verwijzing naar de opgetekende oorlogsherinneringen van schrijver en journalist Ed. Hoornik, een lotgenoot van Kapenga. En daar moest Sierksma het maar mee doen. Hij heeft de beknopte getuigenissen van zijn grootvader aangevuld met berichten uit de Kamper samenleving van weleer en het orthodox-gereformeerde milieu. Misschien waren het noodgrepen van een vertwijfelde biograaf, die doen niets af aan de achtenswaardigheid van een man voor wie weigering van een onchristelijke dienstbevel zó natuurlijk was dat hij er slechts vier woorden aan grond vuil te maken.

Luuc Kooijmans: De meidagen van 1940 – Een collectief dagboek. alfabet; 487 pagina’s; € 29,90.

null Beeld Alfabet

Beeld Alfabet

Tom Rooduijn: Amstel 278 – Een onderduikadres, twee dagboeken: reconstructie van een oorlogstragedie. Thomas Rap; 415 pagina’s; € 24,99.

null Beeld Thomas Rap

Beeld Thomas Rap

Jurriën Rood: Lentz – De man achter het persoonsbewijs. Noordboek Geschiedenis; 460 pagina’s; € 32,50.

null Beeld Noordboek Geschiedenis

Beeld Noordboek Geschiedenis

Peter Sierksma: Mijnheer, dat weiger ik – Een politieman in verzet. Walburg Pers; 256 pagina’s; € 24,99.

null Beeld Walburg Pers

Beeld Walburg Pers

Leave a Reply

Your email address will not be published.